Nieuws

Geplaatst op 16 juni 2016

Op 9 mei jl. organiseerde CHE een Salon onder de titel:

Wat motiveert mensen om een aanslag te plegen? Terrorisme en anti terrorisme

Peter Knoope, oud-directeur van het Internationaal Centrum voor Contra terrorisme en senior visiting fellow bij Clingendael (ook onlangs met Geert Mak en Adriaan van Dis te gast bij DWDD), sprak over de redenen waarom mensen tot terroristische daden overgaan.

Knagende onvrede voelde hij, over de wetenschappelijke benadering. Elke jongere die zich wenst aan te sluiten bij een (politiek) gewelddadige organisatie, wordt door wetenschappers uiteindelijk tóch gezien als een gefrustreerd individu met een gebrek aan toekomstperspectief. Knoope had het idee dat er een dieper begrip mogelijk is, en is ertoe overgegaan zijn ervaringen, observaties en kennis te integreren in een meer historisch contextuele visie. Een visie die ‘ons’, blanke westerlingen, in de spiegel doet kijken en voor de uitdaging stelt om een eigen antwoord te vinden op het wereldwijde conflict dat ons sinds 9/11 is gaan dagen.

En hier hebben we al direct het eerste punt te pakken van zijn boodschap: wij mogen wakker worden in de werkelijkheid dat wij allemaal in het conflict betrokken zijn. Knoope opent zijn presentatie met de denkoefening: “Stel je voor” benadrukt hij met kracht, “dat een terrorist gewoon een mens is zoals jij en ik”. Kennelijk staat hij vaker voor een gehoor van mensen die dat niet zomaar binnen laten komen. En juist dat is veelzeggend: willen wij diegenen die aanslagen plegen, zien als de onbegrijpelijke slechteriken die weg moeten, of dood? Of kunnen we ons verhouden met het feit dat zij een boodschap hebben aan ons adres? En hoe kunnen we zodanig over hen nadenken dat die boodschap door ons ook wordt verstaan? Knoope doet een oprechte poging om hierin als tolk voor ons op te treden.

Klaarblijkelijk zijn we er namelijk nog niet, wanneer we begrijpen dat er mensen zijn die hun leven ervaren als uitzichtloos, die zich economisch, cultureel en historisch uitgesloten voelen en die leven met de perceptie dat het immorele, niet Islamitische westen, de vijand is. Want als dát aan de hand zou zijn, dan zouden we hén op andere gedachten moeten kunnen brengen. Nee, zegt Knoope. Er is ook iets met óns. En dat zijn we niet zomaar gewend.

Wij vinden het namelijk eervol om ons onschuldig te voelen. Dus wanneer wij verhalen horen over ons onverwerkte koloniaal verleden, dan vinden we dat niet fijn. Dan voelen we ons schuldig. En dan willen we daar iets aan doen. Wij willen onze slachtoffers ‘helpen’. Hoe ver dat onverwerkte verleden precies reikt, weten we eigenlijk niet. De ravage die er is aangericht, hebben we niet goed in beeld. We hebben wel vermoedens, maar bijna niemand vertelt ons de verhalen over de ontwrichting van lokale traditionele gemeenschapsvormen en de afbreuk van besluitvormingsstructuren om onderlinge conflicten op te lossen. Daar gaan we ook niet naar op zoek. We gaan vanuit ons eergevoel zo snel mogelijk ‘helpen’. Wij hebben daarom de ‘ontwikkelingshulp’ uitgevonden en we hebben de ‘democratie’ geëxporteerd, maar het blijkt allemaal helemaal niet te helpen.

Dat we ook anders zouden kunnen reageren op een slecht geweten wordt duidelijk wanneer Knoope uitlegt dat er vele streken en volken zijn die het eervol vinden om je schaamtevol te tonen in plaats van schuldig. Als de Turkse president Erdogan zich vernederd voelt, dient zijn tegenspeler zich in zijn ogen te schamen. Het heeft voor hem weinig zin om na te denken over de schuld of onschuld van de cabaretier die hem beledigde. Een eyeopener! Die moest ons echt even uitgelegd worden.

En er is nog iets aan de hand met onze ‘ontwikkelingshulp’-neiging want er is iets aan de hand met de perceptie van ‘tijd’. Knoope: wij in het westen zien, voelen en ervaren tijd als iets dat vóór ons ligt en waar je naar toe beweegt. Wij zijn toekomst- en vooruitgangsgericht en dus ontwikkelings-gericht. We hebben het zelf niet in de gaten, maar we zitten tjokvol ideeën, normen en meningen die vooruitgang als het goede zien. En wij hanteren dat idee als criterium voor wie ‘vóór’ loopt en wie naar onze smaak – soms wel tot 2000 jaar – ‘áchter’ loopt.
Achter op óns, wel te verstaan. Het meest hardnekkige denkbeeld in ons, is immers dat uiteindelijk de hele wereld onvermijdelijk zal zijn zoals wij zijn. Daarin zijn we – zonder het in de gaten te hebben – nét zo kolonialistisch als onze voorouders.

Het overgrote deel van de niet-westerse mens leeft van oudsher andersom, steunend in het verleden. Tijd heb je achter je. Wie in het westen ouder wordt, houdt steeds mínder tijd over. Wie in Afrika ouder wordt, heeft steeds méér tijd. Daarmee wordt niet alleen de toename van wijsheid en ervaring bedoeld maar vooral de toename van aanwezigheid, van verbinding en geschiedenis. De mens die zo leeft, heeft ook veel aandacht voor traditie, collectiviteit, religie enzovoort. Deze mens leeft op deze wijze in zekerheid over wie hij is. In inbedding in de cultuur, met steun van de voorouders en met duidelijkheid over de eigen plek in een geordend geheel. Deze manier van leven is stelselmatig beledigd, vernederd, afgebroken en disfunctioneel gemaakt. En als mensen niet langer via eigen lokale politiek kanalen hun grieven aan de orde kunnen stellen, dan is de keuze voor politiek geweld na verloop van tijd voor velen de enige weg om voor het leven op te komen.

Als je goed naar Knoope luistert, dan ontstaat het beeld dat wij gedesoriënteerde verslaafden zijn. Wij – de blanke mens in het westen – dienen voortdurend ‘mee te gaan met de tijd’, wat betekent: aan de lopende band veranderen, verruimen en vernieuwen. Onze westerse moderniteit is een toestand van permanente ontworteling en van totale onzekerheid met een onbewuste expansiedrift.
In die zin heeft Knoope een lastige uitdaging gekozen. Want hoe leg je aan mensen met een onbewust gevoel van superioriteit en met een drang om zich onschuldig te voelen, uit dat ‘de vooruitgang’ geen zinvol export-artikel is? Dat er mensen zijn die graag korte metten willen maken met onze aanmatigende houding om hele goede redenen? En dat er prangende redenen zijn voor ons om ons te leren schamen? Oftewel, dat er mensen en volkeren zijn, die ons nadrukkelijk overtreffen in aantallen, en die ons een hoop beschaving bij kunnen brengen?

Wat een klus!

Inge, bezoeker van de salon